Praten over donorconceptie

De meeste ouders weten dat het belangrijk is om hun kind te vertellen dat zij geboren is met hulp van een donor. Zij willen daar graag op een goede manier met hun kind over praten, maar vragen zich af hoe ze dat moeten doen, en wanneer ze welke informatie kunnen geven.

Hoe praat ik met mijn kind over donorconceptie?

Praten over donorconceptie voelt voor veel ouders ongemakkelijk. Door al vanaf de zwangerschap of nog eerder over de donorconceptie te praten met mensen die je lief zijn, kun je oefenen en eraan wennen. Als je zelf vertrouwd bent met de woorden en het verhaal, kan dat je na de geboorte van je kind helpen om er ook met haar over te praten.

Vanaf de geboorte kun je je baby vertellen dat een donor geholpen heeft om haar te kunnen krijgen. Je kind begrijpt dan nog niet wat een donor is, net zoals zij heel veel andere dingen die je zegt niet begrijpt. Dat is niet erg. 

Op deze manier kun je veilig oefenen om het tegen je kind te zeggen, en ontstaat er geen geheim. Naarmate je dat vaker doet went dat, en ook je kind went er op deze manier aan. Jij zal steeds beter je eigen woorden gaan kiezen. Voor je kind voelt praten over donorconceptie dan heel gewoon. Er is geen geheim en je kind heeft het altijd geweten. 

Door vanaf het allereerste begin over donorconceptie te praten, hoef je je ook niet af te vragen: wanneer ga ik het vertellen? Je creëert vanaf het begin een sfeer van openheid. Dat schept vertrouwen. Als kinderen hiermee opgroeien, zullen ze zelf ook vragen over donorconceptie durven te stellen.

Het is belangrijk om over donorconceptie te blijven praten, ook als je kind ouder wordt. Door er als ouders af en toe zelf over te beginnen, nodig je je kind uit om dat ook te doen. Zij zal zich veilig voelen om vragen te stellen. In het opgroeien zal je kind zich regelmatig weer nieuwe dingen afvragen. Dan is het fijn dat zij ervaart dat ouders dit beseffen en open staan om erover te praten. Hoe vanzelfsprekender het wordt om met je kind over de donorconceptie te praten, des te sterker je je gaat voelen tegenover de buitenwereld. En je kind ook.

Je kunt ervoor kiezen om in elk geval vanaf groep 1 van de basisschool aan de leerkracht te vertellen dat jullie je kind hebben gekregen met hulp van een donor. Je hoeft geen details te vertellen, maar wel hoe jullie er thuis over praten. 

Als je kind er dan in de klas iets over vertelt, is de leerkracht niet verbaasd. Dat is fijn voor je kind. De leerkracht kan ook helpen, en uitleg geven als andere kinderen niet goed begrijpen hoe het zit.

Afbeelding
moeder en dochter

Wat vertel ik over donorconceptie?

Bij het praten over donorconceptie stem je de inhoud af op wat je kind kan begrijpen. Een jong kind vertel je over een een donorvader of donormoeder, die geholpen heeft. Als je vanaf het begin met je kind gesproken hebt over donorconceptie, zullen oudere kinderen vanzelf vragen gaan stellen.

Jonge kinderen

Voor kinderen tot een jaar of 6/7 is het niet van belang om te praten over zaadjes en eitjes, en de hulp van de dokter. Net zoals je jonge kinderen ook niet in detail vertelt over hoe je via seks zwanger wordt. 

Op een simpele manier kun je je kind vertellen dat een donorvader of donormoeder geholpen heeft. Bijvoorbeeld: ‘toen wij een kindje wilden, konden we jou samen niet krijgen. Een donor (donorpapa/donormama) heeft ons geholpen. Daar zijn we heel blij mee’.

De ‘technische kant’ van donorconceptie komt vanzelf aan bod als kinderen gaan vragen hoe ze in mama’s buik zijn gaan groeien. Je kunt dan over de natuurlijke manier vertellen, en over de kunstmatige manier waarop jullie kind verwekt is met hulp van de donor. 

Oudere kinderen

Naarmate kinderen ouder worden, kan hun donorvader of -moeder een andere plek in gaan nemen. Kinderen gaan meer vragen stellen. Zoals over eigenschappen die zij mogelijk deelt met de donor en of de donor zelf kinderen heeft. Je kind kan contact met hem/haar willen, en/of zich afzetten tegen haar ouders. Dat past in de fase van volwassen worden en betekent niet dat je kind je afwijst.

De puberteit is een belangrijke fase in de identiteitsontwikkeling. Meer weten over de donor, kan daarbij helpen: ‘Lijk ik op hem/haar? Welke eigenschappen en talenten heb ik van hem/haar?’. Blijf hierbij altijd eerlijk, en geef aan wat je wel en ook wat je niet weet.

Pubers kunnen lelijke dingen zeggen tegen hun ouders, als ze kwaad zijn. Dat betekent niet dat ze niet meer van hun ouders houden. Wel dat ze in de puberteit zitten, zich losmaken van hun ouders en volwassen worden, net zoals je dat zelf waarschijnlijk hebt gedaan. Donorkinderen sparen hierbij vaak de niet-biologische ouder.

Kinderen zijn heel loyaal aan hun ouders. Zij kunnen goed aanvoelen als hun ouders er tegenop zien dat zij willen weten wie hun donorvader of -moeder is, of contact met hen willen. Een kind kan dan zijn ouder(s) gerust proberen te stellen. Daarmee draaien de rollen om, en dat is ingewikkeld voor kinderen. Voor kinderen is het fijn als hun ouders hen onvoorwaardelijk steunen in wat voor hen belangrijk is. Daarom is het ook in deze fase belangrijk om in het gezin openlijk over donorconceptie te blijven praten.

Als een kind (later) wil weten wie de donor is

Als je kiest voor donorconceptie, weet je dat je kind tijdens het opgroeien vragen kan hebben over de donor. Zij wil weten wie het is en hem misschien willen ontmoeten. Het is aan een kind zelf om te bepalen of zij wil weten wie de donor is, en of zij contact zou willen hebben. Met de donor of met eventuele halfbroers en -zussen.

Voor kinderen die na 2004 verwekt zijn, gelden de regels uit de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. Voor kinderen van voor die tijd kan het een stuk lastiger zijn om de identiteit van hun donorvader te achterhalen, maar ook voor hen zijn er mogelijkheden. (Zie: ik ben van voor 2004 en wil graag weten wie mijn donorvader is)

Het idee om contact te hebben met de donor is heel spannend. Voor het kind en voor de ouder(s). Een kind weet dat de donor een biologische ouder is, maar zij kent hem niet. Het is afwachten wie het is, en of het een beetje klikt. Dat maakt ook dat niet alle kinderen hun donorvader of -moeder willen ontmoeten, of dat ze dat pas willen als ze wat ouder zijn en niet al op hun 16e.

Ook voor ouders is het spannend als hun kind wil weten wie de donor is of contact wil met de donor. Wat betekent dit voor de verhoudingen in het gezin? Wat voor plek gaat de donor innemen in het leven van hun kind?

De antwoorden op deze vragen zullen zich gaandeweg vormen. Voor ouders en kinderen is het juist ook in deze fase belangrijk met elkaar te blijven praten. Erken dat het ingewikkeld en soms moeilijk kan zijn. Als ouders en/of kinderen er zelf of met elkaar niet uitkomen, dan zijn er mensen die kunnen helpen.

Mijn kind weet nog niet dat we hulp hebben gehad van een donor

Veel ouders van inmiddels (jong)volwassen donorkinderen, leven nog met een geheim. Hun kinderen weten niet dat zij hulp hebben gehad van een donor om hun kind(eren) te krijgen. Voor hen is het goed om te weten, dat het nooit te laat is om kinderen alsnog te vertellen over hun ontstaansgeschiedenis. Dat vraagt om moed, en om een goede voorbereiding.

Lees meer over laat vertellen, en hoe je dat kunt doen.

Praten met je omgeving

Aan wie vertel je dat je voor donorconceptie gekozen hebt? Iedereen maakt daarin eigen keuzes, er is geen goed of fout. Maar er met niemand over praten, kan ertoe leiden dat je in een isolement komt door het geheim. 

De een praat alleen met naaste familieleden en vrienden over de keuze voor donorconceptie. De ander is opener, en vertelt het ook aan collega’s en mensen van de sportclub. In het begin is het vooral belangrijk dat je het vertelt aan mensen van wie je verwacht dat ze je steunen. Ook mensen in je omgeving moeten soms eerst aan het idee wennen. Net als jij.

Bedenk vooraf in grote lijnen wat je wilt vertellen. Bijvoorbeeld: naasten mogen weten van de donorconceptie, maar je hoeft ze niet steeds op de hoogte te houden van de voortgang van het behandeltraject. Je kunt ervoor kiezen pas weer iets te vertellen als je zwanger bent.

FacebookTwitterInstagram

Anderen zochten ook op
praten over donorconceptie