Geschiedenis van donorconceptie

Donorconceptie bestaat al heel lang. De eerste behandeling met donorsperma in Nederland was rond 1948. Er is veel veranderd sinds die eerste behandeling:

  • Vroeger waren donoren anoniem, nu kunnen kinderen wel de identiteit van hun donorvader of donormoeder kennen
  • Vroeger adviseerden de behandelaars geheimhouding naar kinderen, nu openheid
  • Vroeger werden alleen mensen in een man/vrouw relatie behandeld, nu ook vrouwen in een vrouw/vrouw relatie en alleenstaande vrouwen
  • Vroeger was alleen spermadonatie mogelijk, nu ook eicel- en embryodonatie

 

Donorconceptie is altijd een gevoelig onderwerp geweest, omdat iemand met wie je geen liefdesrelatie hebt betrokken is bij het krijgen van je kind. Er is veel over gepraat en geschreven door artsen, politici, filosofen, psychologen en ethici. Omdat er geleidelijk aan meer ouders aan hun kinderen vertelden over de donorconceptie laten  donorkinderen sinds het eind van de 20e eeuw ook van zich horen. Dat heeft grote invloed gehad.

Anonimiteit en geheimhouding

In de eerste periode werd donorconceptie alleen gebruikt voor mensen in een man/vrouw relatie. Dat hun gezin gevormd was na donorconceptie kon je aan de buitenkant niet zien. Artsen adviseerden (wens)ouders om de behandeling met donorsperma geheim te houden, zeker voor het kind.

Waarom niet praten over donorconceptie?

In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw werd een behandeling met donorsperma gezien als overspel: een andere man dan de echtgenoot was betrokken bij het krijgen van kinderen. Zou de echtgenoot zich wel vader voelen als hij dat biologisch niet was? En hoe zou de omgeving oordelen?

Het idee was dat door niet over de donor en donorconceptie te praten, deze ongemakkelijke vragen niet gesteld hoefden te worden. Hoe minder er bekend was, hoe beter dat was voor iedereen. Geheimhouding zou het kind, de ouders en de familie beschermen voor verdriet en afwijzende reacties. 

Voor ouders was het vaak moeilijk om zo’n groot geheim voor hun kind te hebben. Dat geheim gaf spanning tussen ouders en in gezinnen. Daar was weinig aandacht voor. In later onderzoek is dit bevestigd: geheimhouding was juist moeilijk voor kinderen en voor ouders. Ouders hebben het geheim als een last ervaren. 

Omdat het de bedoeling was dat buiten de ouders niemand zou weten van de donorconceptie, was het logisch dat donoren volledig anoniem waren.

Kijktip: Andere tijden - Verborgen vaders

In de aflevering Verborgen vaders blikt Andere tijden terug op de beginjaren van de spermadonatie. Oorspronkelijke uitzenddatum: 3 april 2019.

Anonimiteit ter discussie

In de jaren tachtig gaan de ideeën over geheimhouding rondom donorconceptie langzaam veranderen, ook door wat geleerd werd bij adoptie: er verschijnen in Nederland en in het buitenland adviezen om donorconceptie niet meer geheim te houden en er komt aandacht voor de rechten van kinderen.

In deze periode gaan ook vrouwen in een vrouw/vrouw relatie gebruikmaken van donorconceptie. Als twee vrouwen samen een gezin vormen, is voor iedereen duidelijk dat er een spermadonor gebruikt is. Geheimhouding is bij hen geen optie. Maar ook zij vinden het vaak best lastig om met hun kind over de donor en de donorconceptie te praten. 

In Engeland vraagt de overheid advies aan een commissie (het 'Warnock Committee') over de impact van een behandeling met donorsperma. De commissie zegt in hun rapport dat geheimen een gevaar vormen voor familierelaties, en dat het misleiden van kinderen over hun genetische herkomst niet goed is en moet stoppen.

In Nederland adviseert de Gezondheidsraad in 1986 dat donoren anoniem moeten blijven doneren. De Gezondheidsraad vindt wel dat er wel identificerende informatie van donoren geregistreerd moet worden en dat ouders moeten worden aangemoedigd om hun kind te vertellen over de donorconceptie. Ouders en kinderen zouden wel toegang moeten krijgen tot informatie over de donor, zonder te kunnen weten wie hij is.

In 1989 neemt de Verenigde Naties het Kinderrechtenverdrag aan. In artikel 7 van dit verdrag staat dat een kind het recht heeft te weten wie zijn ouders zijn. In artikel 8 staat dat de gegevens over zijn identiteit, waaronder ook familierelaties, bewaard moeten worden. Voor regeringen uit verschillende landen betekent dit dat zij behandeling met het sperma van een anonieme donor niet langer een goed idee vinden.

In de jaren die volgen wordt door veel partijen langdurig gediscussieerd over donoranonimiteit en geheimhouding aan de ene kant, en identificeerbaarheid en openheid aan de andere kant. Maar politici, belangenorganisaties en artsen kunnen het niet eens worden. 

De een vindt dat kinderen het recht hebben om zelf te kiezen of zij de identiteit van hun donorvader willen kennen. De ander is van mening dat het niet goed is voor kinderen om geïnformeerd te worden over de donorconceptie. En artsen zijn bang dat als mannen niet meer anoniem kunnen doneren, er een tekort aan spermadonoren zal ontstaan. Helaas was er toen nog geen onderzoek gedaan naar wat het beste is voor kinderen en de gezinnen.

In 1992 kiest de Nederlandse regering voor een compromis: wensouders mogen kiezen of zij een anonieme of een identificeerbare spermadonor willen. Er wordt ook wel gesproken over het A-loket (anonieme donor) en het B-loket (identificeerbare donor). 

Rond de eeuwwisseling worden politici en artsen het steeds meer eens: een kind heeft het recht te weten van wie zij afstamt. Dat recht weegt zwaarder dan het belang van een donor om anoniem te blijven. Het wordt tijd om dit recht in een wet op te nemen.

Einde aan donoranonimiteit

In 2004 is het zover, de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting wordt van kracht. Met deze wet is er een einde gekomen aan het anoniem doneren van zaadcellen of eicellen. Kinderen die geboren zijn na donorconceptie hebben het recht om te weten wie de donor is. 

Dit betekent dat kinderen vanaf hun 12e jaar informatie over de donor kunnen opvragen, zonder te weten wie hij is. Vanaf hun 16e jaar kunnen zij ook gegevens over de identiteit van de donor opvragen. 

Vanaf 2004 moeten alle zwangerschappen die zijn ontstaan door behandeling met donorsperma (en donoreicellen en donorembryo’s) door klinieken worden geregistreerd bij de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (SDKB). Kinderen die informatie willen over hun donorvader of -moeder, kunnen dat bij deze stichting opvragen.

Maar voor een kind informatie op kan vragen, moet zij wel weten dát zij een donorkind is. En dat staat niet in de wet, dat ouders hun kind moeten vertellen over de donorconceptie. Openheid is wel steeds meer de norm geworden, en wordt ook door artsen geadviseerd. Ondanks dat veel ouders daar wel van overtuigd zijn, worstelen zij vaak met hoe en wanneer zij dit op een goede manier kunnen doen.

FacebookTwitterInstagram